Het verschil tussen coeliakie, glutenallergie en gluten overgevoeligheid
Gluten
Gluten is het belangrijkste eiwit in tarwe, rogge en gerst. De oergranen bevatten nauwelijks gluten. Tijdens en na de landbouwrevolutie is de mens die oude granen gaan veredelen waardoor er op minder grond meer opbrengst te krijgen is, met minder kans op ziektes in de gewassen. Helaas bevatten veredelde graansoorten ook meer eiwitten zoals gliadine (gluten). Moderne, veredelde tarwerassen bevatten tot wel 500 x meer (en toxischer) gluten dan oude graanrassen.
Gluten hebben een imagoprobleem. Dat is niet geheel onterecht, want gluten kunnen ontstekingen uitlokken. Het merendeel van onze westerse ziektes wordt immers veroorzaakt door (laaggradige) ontstekingen. Er is ook een duidelijk verband tussen een verstoorde balans in de darmflora en het later ontwikkelen van glutenintolerantie. Maar gluten compleet verbannen uit ons voedingspatroon is niet de oplossing. Want hoe moeten we de dagelijks groeiende wereldbevolking voeden als we geen granen meer zouden eten? En laten we vooral niet vergeten dat volle granen heel belangrijk zijn om onze kostbare darmbacteriën te voeden! Bovendien zijn er granen die goede, volwaardige eiwitbronnen zijn, zoals kamut, haver en quinoa.
Bij de ontwikkeling en het verloop van gluten gerelateerde aandoeningen zijn verschillende mechanismen betrokken.
Coeliakie
(dit spreek je uit als: seu-lia-kìe)
Als je coeliakie opzoekt op het internet zul je meestal gelijk lezen dat dit een auto-immuunziekte is. Echter: coeliakie is geen allergie en strikt genomen ook geen auto-immuunaandoening, hoewel het immuunsysteem wel een rol speelt in het ziekteproces.
Bij coeliakie wordt een immuunreactie veroorzaakt door van gluten afkomstige eiwitten. Deze reactie vindt plaats in de dunne darm en leidt tot aantasting van het slijmvlies (met name de slijmvliesvlokken) van de dunne darm waarbij er problemen ontstaan met het opnemen van voedingsstoffen. Van de glutengerelateerde aandoeningen is coeliakie tot nu toe de bekendste: de genetische aanleg van patiënten en de relatie met andere immuunziekten zijn uitgebreid bestudeerd.
Bij 98% van de coeliakie-patiënten zijn veranderingen in het DNA gevonden. Ze zijn dragers van varianten in de DQ2 en DQ8 genen. Dit verklaart ook het verhoogde risico op coeliakie bij eerstegraads familieleden (de ouders en kinderen van een persoon) van een patiënt. Ten slotte spelen darminfecties ook een rol: een infectie veroorzaakt weefselbeschadiging, waardoor bij een eerste contact met gluten het ziekteproces van coeliakie in gang gezet kan worden. Bij contact met gluten wordt het immuunsysteem van de patiënt dan geactiveerd. Hierdoor worden antilichamen gevormd tegen gliadine (= onderdeel van gluten) en daarnaast (als ‘bijproduct’) ook tegen een lichaamseigen eiwit, het transglutaminase. Dat komt vrij bij weefselbeschadiging en veroorzaakt het immuunproces dat de vlokken van het slijmvlies in de dunne darm beschadigt met de bekende symptomen tot gevolg.
Bij coeliakie zijn er geen mooie darmvlokken in het slijmvlies aanwezig. Het oppervlak van het totale slijmvlies neemt daardoor aanzienlijk af en daarmee ook het vermogen om voedingsstoffen te kunnen opnemen.
De diagnose coeliakie wordt gesteld op de combinatie van de symptomen bij de patiënt, bloedonderzoek en een scopie van de maag waarbij biopten (hapjes) van het dunne darmslijmvlies genomen worden, die onder de microscoop bekeken kunnen worden. Een bloedtest kan vaststellen of er antistoffen tegen gluten in het bloed aanwezig zijn. Onder de microscoop kan afvlakking van de darmvlokken gezien worden. Bij kinderen wordt de scopie vaak achterwege gelaten omdat het voor hen een vervelend en belastend onderzoek is. Als de diagnose coeliakie is vastgesteld bestaat de behandeling uit het volgen van een levenslang glutenvrij dieet.
Glutenallergie (intolerantie)
De diagnose wordt gesteld door bloedonderzoek te doen. Bij coeliakie wordt getest op IgA antistoffen. Bij verdenking op een glutenallergie wordt er getest op IgE antistoffen in het bloed. Er is dan namelijk sprake van een voedselallergie en geen verregaande reactie van het gehele immuunsysteem.
Glutengevoeligheid
Ontlastingsonderzoek bij vermoeden coeliakie of glutenallergie
Transglutaminase is een enzym dat door het darmweefsel wordt geproduceerd. Het enzym zorgt voor de stabiliteit van het weefsel. Het maakt verbindingen tussen eiwitten. Als het weefsel wordt beschadigd, zoals bij coeliakie, dan komt er transglutaminase vrij. Dit kan bindingen tussen gliadines veroorzaken of zelf met gliadine binden. Zo ontstaan er eiwitverbindingen die door het lichaam als vreemde stoffen (antigenen) worden herkend en de productie van antistoffen veroorzaken. Een verhoogd gehalte aan anti-transglutaminase in de ontlasting is typerend voor patiënten met coeliakie. Het anti-transglutaminase onderzoek wordt uitgevoerd ter bevestiging van een verhoogd anti-gliadine gehalte.
Kortom: een verhoogd anti-gliadine toont een gluten-allergie aan, een verhoogd anti-transglutaminase IgA toont de kans op coeliakie aan.